Geschiedenis

Deze versie van de geschiedenis is gebaseerd op bronnenonderzoek (zie bibliografie) en bevat enkele nuances die niet voorkomen in de gekende “canon” van Brian Workman (oorspronkelijke versie hier). Raadpleeg de versie op jujutsu.be om je examen voor te bereiden.

Een kruispunt

Hoe in het begin van de twintigste eeuw krijgskunst en geneeskunde bij elkaar kwamen.

Officieel portret van Okuyama Ryūhō
Officieel portret van Okuyama Ryūhō

Hakkō Ryū Jūjutsu is een vorm van budō die in 1941 ontstond. De grondlegger van de stijl, Okuyama Ryūhō, behoorde tot de Genji, een oud geslacht van bushi, oftewel krijgers.

Okuyama Yoshiji kwam op 21 februari 1901 ter wereld in Murayama, een stad op het centrale Japanse eiland Honshū. Als kind was hij vaak ziek en zijn ouders zochten hun toevlucht bij traditionele genezers. Dit bewoog de jonge Okuyama ertoe om later in hun voetstappen te treden en zijn lotgenoten te helpen.

Voor het zover mocht komen volgde hij een meer werelds traject. Op zesentwintigjarige leeftijd studeerde hij na drie jaar af aan de Tōkyō Seiji Gakkō, een prestigieuze school voor politieke wetenschappen. Dit leverde hem overigens een breed netwerk van contacten op, iets wat later van pas zou komen. Hij bleef tot aan de oorlog politiek actief, trok door het land, gaf lezingen en publiceerde een aantal essays. Een aantal van deze laatste zijn nog te lezen in zijn autobiografische reisdagboek. Verder is er over deze periode echter weinig bekend.

In de jaren ’30 kon hij zich eindelijk verdiepen in de traditionele oosterse geneeskunde. Zijn eerste, en misschien wel meest invloedrijke leraar was Hirayama Ryozan. Hij was het die Okuyama kennis liet maken met keiraku (Chinese meridianenleer), shiatsu (vingerdrukpunten), dieetleer en anma (massage). Hier lag de basis van zijn eigen Koho Shiatsu-methode.

Deze periode zag ook zijn interesse in bujutsu, de krijgskunsten, ontluiken. Zijn connecties brachten hem bij Daitō Ryū Aiki Jūjutsu, de school die het gros van de inspiratie voor zijn eigen Hakkō Ryū zou vormen. Hij volgde les bij Matsuda Toshimi die op zijn beurt werd onderwezen door Takeda Sokaku, de oprichter van Daitō Ryū.

Okuyama meende overeenkomsten te ontwaren tussen zijn oosterse geneeskunde en de Daitō Ryū-technieken en begon ze na verloop van tijd als twee kanten van dezelfde medaille te beschouwen. Welbeschouwd zijn Hakkō Ryū en Koho Shiatsu de culminatie van dit idee.

De eerste dōjō

Of hoe Okuyama in de jaren dertig van de vorige eeuw zijn studie van Daitō Ryū Aiki Jūjutsu vervolmaakte en het pad van de zelfstandigheid koos.

Na tien jaar en een kennismaking met de okuden, ofwel de verborgen, “geheime” technieken ontving Okuyama omstreeks 1936 zijn instructeursdiploma van Daitō Ryū Aiki Jūjutsu. Het is in deze periode dat hij zelfstandig les begon te geven. Dit resulteerde in zijn allereerste dōjō op het noordelijke eiland Hokkaido; en slechts een jaar later zijn tweede in de hoofdstad Tokyo. Hoewel de omstandigheden onduidelijk zijn, staat vast dat Okuyama rond 1939 met Takeda brak en verder ging met lesgeven onder de noemer Meishido.

Nuancering

Volgens de overlevering zou Daitō Ryū Aiki Jūjutsu (en bijgevolg ook Hakkō Ryū) een formalisering zijn van de geheime leer van de Takeda samurai-clan, doorgegeven van vader op zoon. Aanhangers dateren de oorsprong ervan tot in de achtste eeuw, maar hier bestaan evenwel geen echte bewijzen voor. De geschiedschrijving begint pas bij Takeda Sokaku op het einde van de negentiende eeuw.

Daitō Ryū

Daitō Ryū

Verder is het lastig om de exacte omstandigheden van Okuyama’s betrokkenheid bij Daitō Ryū en zijn uiteindelijke breuk ermee te achterhalen. In Black Belt-magazine schrijft Brian Workman dat Okuyama een belangrijke vertrouweling was voor Takeda: hij zou onder meer de titel van Dai shihan gedragen hebben, hoofd-lesgever geweest zijn en het beheer van de school op zich hebben genomen. Wanneer Takeda op zijn oude dag uiteindelijk zijn zoon als opvolger aanstelde, zou dit bij Okuyama tot wrevel en zijn vertrek geleid hebben. Een ander beweert dan weer dat Okuyama met zijn zorgvuldige kalligrafie de Daitō Ryū-diploma’s schreef. Opmerkelijk is dat de man zelf geen melding maakt in zijn autobiografisch reisdagboek van deze zaken; wel zegt hij ooit een vierdaagse training met Takeda gevolgd te hebben. Ook de Hakkō Ryū-website zwijgt er (diplomatisch?) in alle talen over. Even stil is het bij Daitō Ryū: zij verwijzen op geen enkele manier naar Okuyama.

Met betrekking tot de persoon Takeda zelf is het lastig om tot een vorm van objectiviteit te komen. Er lijken verschillende kampen te zijn wat betreft diens karakter: van zij die hem ophemelen als weldoener tot anderen die hem als vervelend en gierig afschilderen. Klopt het dat hij per doorgegeven techniek een buitensporige som geld aanrekende? Klopt het dat Aikidō-stichter Morihei Ueshiba zijn volledige (verondersteld aanzienlijke) erfenis aan hem betaalde? Of viel het allemaal wel mee?

Ruggengraat van de draak

Hoe Hakkō Ryū Jūjutsu tijdens de moeilijke oorlogsjaren het levenslicht zag.

Op 1 juni 1941 vond de ceremonie ter bekendmaking van de stichting van Hakkō Ryū plaats te Tokyo. Met de geboorte van zijn geesteskind, de School van het Achtste Licht, nam Okuyama de naam Ryūhō aan: Ruggengraat van de Draak. Zijn dōjō werd uiteindelijk de Hakkō Ryū Kobujuku.

Tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog onderwees hij de toenmalige Japanse elite. Ter promotie verscheen hij regelmatig in tijdschriften, gaf workshops en trad hij op in radiotalkshows (iets wat hij nog jarenlang zou blijven doen).

Hiernaast is het interessant hoe uit Okuyama’s schaarse publicaties van deze periode zijn toenmalig sterk nationalistische gevoelens afgeleid kunnen worden. Rond het begin van de Tweede Wereldoorlog schreef hij een manuscript over de “18 principes van zelfverdediging”. Hierin worden ook methodes om de Amerikaanse vijand te doden omschreven. Daarbij vermeldt het generaal Iwane Matsui als adviseur aan de dōjō, een man die later geëxecuteerd zou worden wegens oorlogsmisdaden. Na de oorlog is het document heruitgegeven en slaat het een pacifistische toon aan.

Naarmate de Japanse situatie in de oorlog verslechterde, werden er de levensomstandigheden steeds precairder. In ’45 werd Tokyo aanhoudend gebombardeerd. Wanneer uiteindelijk ook Okuyama’s eigen dōjō uitbrandde, vluchtte hij weg van de stad, naar zijn geboorteregio.

Na de oorlog verhuisde Okuyama Ryūhō terug naar Saitama nabij Tokyo waar hij in 1947 een nieuw hoofdkwartier oprichtte: de Hakkō Juku Hombu. Hiermee hervatte hij zijn bestaan als lesgever in de martiale kunst en ook als volksgenezer. Zijn andere leven, dat van de politicus, was om redenen die de lezer duidelijk mogen zijn afgelopen.

Deze ervaringen maakten Sōke Okuyama tot een vernieuwer. Zowel in grote — zoals zijn pacifisme en openheid naar de buitenwereld — als in kleine — zoals het omarmen van gekleurde gordels — aspecten. Door zich in te zetten om zoveel mogelijk shihans op te leiden brak hij verder met de conventionele geslotenheid van de oude bujutsu ryū. Hij was ervan overtuigd dat zijn Hakkō Ryū moest bijdragen tot harmonie en vrede in de wereld. Verder brak hij met de traditie van rigide groepsonderwijs en gaf liever individuele, persoonlijke instructie.

Het achtste licht

Hoe filosofie het verschil maakt.

De grondslag van Hakkō Ryū, die voor de oorlog werd gelegd, maakte al de synthese van medische en martiaal-technische kennis, met als centraal idee dat een beoefenaar confrontaties kan controleren zonder zijn aanvaller zwaar of blijvend te kwetsen. Dit kan hij door klemtechnieken en drukpunten te gebruiken die gericht zijn op de meridianen van het lichaam uit de Chinese geneeskunde. Naar verluidt vond deze aanpak reeds toen een sterke weerklank bij de Japanse politie.

Na geconfronteerd te zijn met een meedogenloze oorlog, besloot Sōke Okuyama resoluut een ander pad in te slaan. Hij hervormde zijn school, op zowel technisch als filosofisch vlak. Voortaan zouden humanitaire principes ter zelfbescherming en een streven naar rechtvaardigheid de leidraad vormen. Bovendien is het de bedoeling dat deze principes tot in het dagelijks leven kunnen doorschemeren. Door een definitieve breuk te maken met de oude (op oorlogsvoering gerichte) krijgskunsten werd Hakkō Ryū een gendai budō, een “nieuwe krijgskunst”.

Okuyama Ryūhō koos de naam hakkō of “achtste licht” voor zijn jūjutsu-school. De naam heeft betrekking op het kleurenspectrum uit de natuurkunde. Volgens zijn filosofie kan je het verdelen in negen segmenten:

infrarood donkerrood rood oranje geel groen blauw indigo ultraviolet
(1) (2) (3) (4) (5) (6) (7) (8) (9)
zon
kracht ontstaan

De redenering gaat als volgt: Er zijn zeven zichtbare kleuren. Hiervan is rood de kleur van de zon; ze staat voor oprechtheid, beleefdheid, voorzichtigheid en eerbied. Tevens is ze de uitdrukking van nationale trots, Japan is immers het land van de rijzende zon. Aan het begin en het einde van het spectrum vinden we respectievelijk infrarood en ultraviolet. Samen vormen ze het achtste licht: niet zichtbaar voor het blote oog, maar verrassend krachtig (denk aan de effecten en toepassingen die ze hebben: van verbranden in de zon tot communicatie door de ruimte). Individueel representeren ze de twee aspecten van het achtste licht: Aan de basis illustreert infrarood de kracht en het geheim ervan, aan het andere uiterste staat ultraviolet (het keizerlijke paars) voor het ontstaan en de groei ervan. Voor de invulling van de andere kleuren verwijst Okuyama naar het Nichiren-boeddhisme.

Het wapenschild (of mon) van Hakkō Ryū deelt deze betekenis. Van oorsprong afkomstig uit de Genji-hofhouding, stelt het de yotsume (vier ogen) voor: waakzaam tegen het kwade in alle windrichtingen. shodai Sōke breidde die betekenis verder uit. Het geometrische ontwerp van acht ruiten bevat het achtste licht, hetwelk persoonlijke bescherming geeft.

De keuze voor het getal acht was ook niet toevallig: het vervult een belangrijke rol in de Japanse cultuur. Het karakter 八 kan bekeken worden als zou het uitdeinen naar de toekomst toe. Bovendien staat het voor “ontelbaar”: met de principes van Hakkō Ryū kan je oneindig veel technieken samenstellen. Tenslotte zou het getal ook weer bescherming bieden.

Nuancering

Hedendaagse kennis noopt om de geneeskundige aspecten van Hakkō Ryū te nuanceren. Sporten blijft uiteraard gezond. Maar het bestaan van lichamelijke meridianen of ki is niet empirisch onderbouwd. Het is aannemelijk dat de echte werkzaamheid van de technieken bij anatomie, het zenuwstelsel, enzovoort gezocht moet worden. Naar eigen zeggen raadpleegde Sōke Okuyama nooit een dokter en genas hij zichzelf met shiatsu (“Acupuncture with fingers”, artikel in de Akron Beacon Journal). Zijn zoon beweert patiënten met hersenbloedingen, beroertes en maagzweren te kunnen helen met drukpunten (interview in Aiki News nr. 83, 1990) terwijl de ware oorzaken en remedies voor deze aandoeningen al lang bekend zijn. Hiermee komen we onomwonden bij de pseudowetenschappen terecht. We zien de historische context waarin Hakkō Ryū ontstond, en tegelijk de nood om denkbeelden te blijven doorontwikkelen wanneer nieuwe informatie zich stelt.

De diaspora

Hoe de oorspronkelijke school na shodai Sōke versplinterd raakte, maar niettemin in ere gehouden wordt.

Na een leven van toewijding ruilde shodai Sōke Okuyama Ryūhō in 1987 het tijdelijke voor het eeuwige. Alvorens het zover kwam, verzekerde hij zich van het verdere voortbestaan van Hakkō Ryū. Hij onderwees zijn systeem aan een zo breed mogelijk publiek over heel de wereld. De buitenlandse verspreiding van Hakkō Ryū begon rond de jaren ’60 met enkele Amerikaanse militairen die in het bezette Japan gelegerd waren en de kunst mee naar huis namen. In de jaren ’70 brachten de Aikidōka Roland Maroteaux en Thierry Riesser haar naar Frankrijk en zo naar Europa.

Hiernaast zorgde Okuyama ervoor dat zijn zoon, Nidai Soke Okuyama Toshio, de fakkel kon overnemen. Deze laatste heeft sinds 1986 de leiding over de ryū in het hoofdkwartier van Hakkō Ryū, de Hakkō Ryū So Hombu Dojo, in Saitama. In de loop van de jaren ’90 voerde die laatste veranderingen door binnen de organisatie, waarop een deel van zijn leden concludeerden dat shodai Sōke’s idealen verloren gingen. Nieuwe beperkingen en verplichtingen vielen niet overal in goede aarde. Ze namen hem kwalijk een verbod voor leden om nog elders les te volgen en een striktere hiërarchie ingevoerd te hebben. Zij vonden dat een aantal van shodai Sōke’s innovaties ongedaan waren gemaakt. Een andere opmerkelijke verandering was dat Hakkō Ryū niet langer onderwezen werd aan politiediensten, iets waar men vroeger net een punt van maakte.

Toenemende frustraties leidden uiteindelijk tot een uittocht van leden. Een aantal stopte om nooit meer terug te komen, terwijl sommigen actief werden uitgesloten omdat ze de nieuwe regels niet volgden. Uit deze turbulentie zijn enkele personen opgestaan om de waarden en technieken zoals hen bijgebracht door shodai Sōke te herstellen. Zo ontstonden verschillende nieuwe verenigingen. Hoewel ze onder een andere naam en buiten de originele hombu om opereren, dragen ze de erfenis van shodai Sōke Okuyama Ryūhō met zich mee.

Een greep uit de diverse scholen die uit Hakkō Ryū zijn ontstaan:

  • KoKoDo Jūjutsu: In 2001 opgericht door Irie Yasuhiro, voormalig hoofdleraar van shodai Sōke.
  • Shin Ryū Jūjutsu: Van Segawa, een andere vertrouweling van Sōke Okuyama.
  • Hakkō Denshin Ryū: Opgericht in 1997 door Irie (niet langer geaffilieerd), Antonio Garcia en Michael LaMonica († 2024) in Japan, België en de Verenigde Staten.
  • Hakkō Densho Ryū: Afgesplitst in 1998 door Dennis Palumbo in de VS.
    Een van eerste buitenlandse leerlingen.
  • Okuyama Ryū: Onafhankelijk sinds 1992 onder leiding van Thierry Riesser († 2010) te Frankrijk.
Het weten waard…

In maart 1980 bezochten shodai Sōke en zijn zoon België. In zijn dagboek schreef hij dat zij de enigen in het vliegtuig waren met haori en hakama, en dat Antonio Garcia hen opwachtte te Zaventem. Hij moest ruim een half uur wachten op zijn koffer. Vervolgens ging het gezelschap naar een restaurant, waar Thierry Riesser hen vervoegde. shodai Sōke was opgetogen om met hem enkele woorden in het Japans te kunnen uitwisselen. Bovendien liet hij zich tevreden uit over de talrijk opgedaagde studenten. Tijdens de treinreis naar zijn verblijf bij Antonio Garcia thuis zag hij enkele Japanse kerselaars, die hij als “verdrietig en eenzaam” omschreef. Naar verluidt zou Garcia geen benul van de Japanse keuken hebben gehad; hoe dan ook begon zelfs Okuyama hardgekookte rijst te waarderen, na verloop van tijd tenminste. Tijdens een bezoek aan de kathedraal van Hasselt reflecteerde hij over de ontberingen, de flitsen van genialiteit en het heldendom van het Belgische oorlogsverleden, van de Napoleontische tot de wereldoorlogen. Hiernaast bezocht hij onder meer ook Aken en Maastricht. Natuurlijk werden er ook trainingen gegeven: Okuyama beschrijft honderden deelnemers, tussen vijf en zestig jaar oud, uit België en omstreken. Ze waren beleefd en trainden hard. Als ze probeerden om karate of Aikidō te imiteren werden ze onmiddellijk gecorrigeerd met “een zeer pijnlijke techniek”. Op het einde sloot men naar gewoonte af met een aantal demonstraties, “onder luid applaus en gelach tot het einde”. Hij vond het opvallend om tweehonderd mensen op de tribune te zien. Tussendoor gaf hij een (vertolkt) televisie-interview, en werd op het gemeentehuis ontvangen door de toenmalige Hasseltse burgemeester. Hij tekende het gastenboek van de stad met “Hakkō Ryū vliegt de wereld in, shodai Sōke Okuyama Ryūhō”.

*

Het weten waard…

  • De Genji waarvan Okuyama-sensei afstamde was een tak van de Minamoto. Merk op dat Daitō Ryū Aiki Jūjutsu ontstaan is uit een andere tak van dezelfde clan.
  • In de jaren ’30 beoefende Okuyama ook andere krijgskunsten, waaronder jōjutsu (lange staf), nito-ryū kenjutsu (zwaardtechnieken), iaijutsu (trekken van het zwaard), sōjutsu (speer), kyūjutsu (boogschieten) kusarigama (sikkel met ketting) en shurikenjutsu (werpsterren). Toch kwam hij uiteindelijk tot de conclusie dat geen van deze scholen degene was die hij volledig wenste te doorgronden.
  • Om de zwaarte van zijn vlucht uit Tokyo te duiden zou Okuyama gezegd hebben dat hij moest overleven met slechts één stukje tōfu per dag en in de sneeuw sliep met alleen een amado (houten schuifdeur) ter beschutting. Na zijn vlucht zich een tijdlang engageren als Shugendō-priester op de Haguro-berg.
  • Het eerder genoemde artikel n het Black Belt-magazine van februari 1990 over Hakkō Ryū’s geschiedenis lijkt ondertussen tot canon verworden bij meerdere dōjō’s. Je kan het zelf gratis lezen bij Google Books.
  • Van de naam Ryuho bestaan veel varianten, elk met zijn eigen kanji en betekenis. De keuze van Sōke Okuyama ging naar de karakters 龍峰 voor “draak, opmerkelijk persoon, held,” en “bergtop”. Samen kunnen ze vertaald worden als: “Ruggengraat van de Draak”.
  • Om Hakkō Ryū nog beter te begrijpen is het essentieel de bredere dynamieken in het toenmalige Japan kort te schetsen. In de zeventiende eeuw werd het land na een meer dan tweehonderdjarige reeks burgeroorlogen herenigd in het Tokugawa-shogunaat. Deze periode duurde tot in de negentiende eeuw en werd gekenmerkt door strikt isolationisme. Pas in de jaren 1850 (ongeveer vijftig jaar voor Okuyama’s geboorte) werd het vastgeroeste en traditionele land door de Verenigde Staten gedwongen om zich open te stellen naar de buitenwereld. Wat volgde was een turbulente periode waarin conservatieve en progressieve krachten elkaar bevochten, met als uitwas een radicaal chauvinisme dat uitmondde in de gruwel van de Tweede Wereldoorlog. Dat was de periode waarin Sōke Okuyama zijn vormende jaren kende.
  • Okuyama wilde zich distantiëren van wat hij als ouderwetse en excessief gecompliceerde krijgskunsten zag. Dat uitte zich bijvoorbeeld in het feit dat Hakkō Ryū “slechts” vijf dan-graden kent, hiermee symboliserend dat zijn systeem tweemaal sneller te leren valt dan een ander met tien.

*

Bekendmakingsceremonie van Hakkō Ryū

Bekendmakingsceremonie van Hakkō Ryū
Sōke

Sōke
shodai

shodai